LinksSitemapContact
U bent hier:

Chronische leukemie

Verwante informatie

Meer lezen

Patiënten vertellen

Wat is leukemie?

Leukemie is een vorm van bloedkanker waarbij door een ongecontroleerde deling van witte bloedcellen het beenmerg wordt aangetast. Het is een complexe ziekte met verschillende types en subtypes. Er zijn grote verschillen in de behandeling en de vooruitzichten voor mensen met leukemie, afhankelijk van het type leukemie en andere factoren.

Beenmerg en bloedcellen

Beenmerg is het zachte binnenste van beenderen. In het beenmerg zitten stamcellen, die uitgroeien tot drie belangrijke bestanddelen van ons bloed:
- rode bloedcellen, die zuurstof naar alle lichaamsdelen transporteren,
- witte bloedcellen, die infecties bestrijden,
- bloedplaatjes, die ervoor zorgen dat het bloed stolt en bloedingen stoppen.
Na een rijpingsproces komen deze bloedcellen in de bloedsomloop terecht.

Leukemie

Bij leukemie vindt er een storing plaats in de vorming van bepaalde witte bloedcellen en meer bepaald in het rijpingstraject. Afwijkende cellen die nog niet voldoende zijn uitgerijpt, hopen zich op in het beenmerg en brengen de productie van normale bloedcellen in het beenmerg in het gedrang. Eerst zijn er alleen in het beenmerg grote hoeveelheden onrijpe witte bloedcellen aanwezig, maar na verloop van tijd komen die in de bloedbaan, in andere organen (bijvoorbeeld milt en lever) en in de lymfeklieren terecht.

We maken een onderscheid tussen acute en chronische leukemie. Bij acute leukemie rijpen de witte bloedcellen niet uit. Er ontstaat in korte tijd een ophoping van onrijpe bloedcellen en een tekort aan rijpe witte bloedcellen. Bij chronische leukemie rijpen de cellen nog redelijk goed uit en verloopt het ziekteproces trager dan bij acute leukemie.
Afhankelijk van het soort witte bloedcel dat de ziekte veroorzaakt, spreken we van lymfatische of myeloïde leukemie. Er bestaan dus vier types leukemie:

  • acute lymfatische leukemie (ALL)
  • acute myeloïde leukemie (AML)
  • chronische lymfatische leukemie (CLL)
  • chronische myeloïde leukemie (CML)

De Stichting Kankerregister registreerde in 2004 in Vlaanderen 853 nieuwe gevallen van leukemie, waarvan 319 acute leukemie en 476 chronische leukemie (de overige 58 zijn niet onder te brengen in een van beide categorieën). Leukemie komt meer voor bij mannen (466 nieuwe diagnoses in 2004) dan bij vrouwen (387 nieuwe diagnoses in 2004).
De leeftijd waarop leukemie het meest voorkomt, verschilt per vorm. Acute lymfatische leukemie (ALL) komt vooral bij kinderen en jonge volwassenen voor. Het is de meest voorkomende kanker bij kinderen onder de 14 jaar. Acute myeloïde leukemie (AML) komt vooral bij (oudere) volwassenen voor. Chronische leukemie wordt meestal vastgesteld bij mensen op middelbare leeftijd of bij oudere mensen. CLL komt bijna dubbel zoveel voor als CML.
Deze brochure gaat uitsluitend over chronische leukemie bij volwassenen. Op deze pagina leest u meer over acute leukemie.

Onderzoeken?

Veel mensen met chronische leukemie vertonen bij de diagnose geen symptomen. Vaak wordt de ziekte ontdekt bij een bloedtest die om een andere reden werd afgenomen. En als er symptomen zijn, zijn ze veeleer vaag (vermoeidheid, slapheid, gewichtsverlies, kortademigheid…). Deze symptomen kunnen echter ook een andere oorzaak hebben dan kanker.

Wanneer er een vermoeden van leukemie bestaat, laat de arts een gericht bloedonderzoek uitvoeren. Als dit verdachte afwijkingen aan het licht brengt, volgt een beenmergonderzoek. Voor beenmergonderzoek is een punctie en eventueel een biopsie nodig.
Bij een punctie wordt met een naald beenmerg weggenomen uit het borstbeen of de rand van het bekken en onderzocht. Bij een biopsie wordt een stukje bot uit de bekkenrand verwijderd en onderzocht. Een gespecialiseerd arts stelt op basis hiervan de diagnose. Deze en andere bloedonderzoeken helpen ook te bepalen welk type leukemie iemand heeft.
Daarnaast kunnen de volgende onderzoeken plaatsvinden:

  • röntgenonderzoek van het hart en de longen,
  • röntgenonderzoek en echografie van de buik,
  • hartfunctieonderzoek om de werking van de hartspier te testen,
  • extra bloedonderzoek om meer informatie te verkrijgen over het functioneren van bepaalde organen (bv. de lever en de nieren),
  • punctie van ruggenmergvocht.

Behandeling van chronische lymfatische leukemie?

Er zijn verschillende soorten behandelingen mogelijk voor chronische lymfatische leukemie (CLL). De behandelende arts-specialist houdt bij de keuze van de behandeling vooral rekening met de klachten die u ondervindt, uw leeftijd, uw algemene gezondheidstoestand en de risicograad (het stadium) van de ziekte.
Bij CLL met een laag risico kiest de arts in veel gevallen in eerste instantie voor afwachten: hij of zij adviseert een zorgvuldige en regelmatige controle zonder een specifieke behandeling te starten. Als de klachten toenemen, wordt er meestal chemotherapie aangeraden.
De meest toegepaste behandelingen van CLL met een gemiddeld en hoog risico zijn chemotherapie, immunotherapie en stamceltransplantatie (SCT). Soms wordt radiotherapie toegepast.
Aarzel niet uw arts vragen te stellen over de mogelijkheden en over de bijwerkingen van de verschillende behandelingen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn.

Afwachten

Chronische lymfatische leukemie kan een zeer traag verloop hebben. Ondervindt u geen of weinig duidelijke klachten, dan is het mogelijk dat uw arts u adviseert om af te wachten en regelmatig te laten controleren hoe de kanker evolueert. Deze aanpak wordt in het Engels ook watchful waiting, wait and see of watch and wait genoemd. Wanneer infecties optreden, moeten die omwille van de verminderde afweer zeer goed opgevolgd en behandeld worden. Ze kunnen worden bestreden met antibiotica.

Chemotherapie

De naam chemotherapie verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die de groei van kankercellen remmen of vernietigen. De medicijnen worden meestal rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en overal eventuele kankercellen kunnen bereiken.
Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie (een ‘cocktail’) van celremmende geneesmiddelen (of cytostatica) voorgeschreven.
Chemotherapie is een gebruikelijke behandeling bij alle stadia van CLL.

Bijwerkingen

Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: vermoeidheid, misselijkheid en braken, verminderde eetlust, haaruitval, ontstoken mond, verhoogde kans op infecties... Ze verschillen van persoon tot persoon, en hangen onder andere af van de medicijnen, de hoeveelheid en de duur van de behandeling. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen. Bepaalde bijwerkingen kunnen echter maanden of jaren blijven aanslepen, bijvoorbeeld vermoeidheid, verminderde weerstand, smaakveranderingen, doof gevoel in de vingers...

Immunotherapie

Immunotherapie is een behandeling die onze natuurlijke afweer of immuniteit stimuleert om de kanker aan te vallen. Immunotherapie bij chronische lymfatische leukemie bestaat uit het toedienen van bepaalde eiwitten, de zogenoemde monoklonale antilichamen, om de leukemiecellen gericht aan te vallen.
Artsen onderzoeken momenteel het gebruik van deze antilichamentherapie bij CLL, naast chemotherapie.

Bijwerkingen

Monoklonale antilichamen kunnen verschillende bijwerkingen veroorzaken, zoals koorts en misselijkheid.

Stamceltransplantatie

Een stamceltransplantatie is het toedienen van gezonde stamcellen om beenmerg te vervangen dat door kanker of door chemotherapie vernietigd is.
De getransplanteerde stamcellen kunnen afkomstig zijn van de patiënt zelf (dit heet een autologe transplantatie) of van een donor – een familielid of iemand anders (dat heet een allogene transplantatie). Tegenwoordig haalt men stamcellen meestal uit het bloed. De transplantatie erna heet dan een stamceltransplantatie (afgekort SCT). De donor van de stamcellen krijgt eerst medicijnen die het beenmerg stimuleren om meer stamcellen in het bloed af te geven. De stamcellen worden dan langs een infuus uit het bloed afgenomen. De transplantatie zelf verloopt langs een infuus.
Stamceltransplantatie kan een optie zijn voor bepaalde patiënten met CLL.

Bijwerkingen

Een stamceltransplantatie heeft gevolgen op korte en lange termijn. De neveneffecten op korte termijn zijn grosso modo dezelfde als van een zware chemotherapie (zie hierboven). Omdat het risico op infectie erg groot is, moeten patiënten na een stamceltransplantatie een tijdlang in een steriele kamer verblijven. Op lange termijn is het belangrijkste probleem de graft-versus-hostziekte (GVHD), die kan voorkomen na een transplantatie van een donor. Afweercellen uit het getransplanteerde donorweefsel vallen dan organen en weefsel van de patiënt aan, met huidproblemen, ernstige diarree, of schade aan lever of longen tot gevolg. Om deze aanvalsreacties tegen te gaan, krijgt de patiënt medicijnen die de afweer onderdrukken.

Radiotherapie

Radiotherapie is een behandeling met ioniserende stralen om kankercellen te vernietigen. Radioactieve energie in de vorm van een stralenbundel (te vergelijken met een lichtbundel) vernietigt kankercellen geheel of gedeeltelijk. Het gebied dat moet worden bestraald, verschilt per patiënt. Ook de duur van de bestralingskuur, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. De bestraling op zich is pijnloos.
Radiotherapie wordt gebruikt als de chemotherapie onvoldoende effect heeft of als u sterk vergrote lymfeklieren hebt. Ook vóór een stamceltransplantatie wordt het lichaam soms bestraald.

Bijwerkingen

De radiotherapeut zal ervoor zorgen dat de toegediende dosis en het bestralingsveld zodanig worden berekend dat er zo weinig mogelijk schade wordt berokkend aan gezonde weefsels en organen. Toch kan straling ook invloed hebben op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. Daardoor wordt de huid rood en gevoelig. Ook vermoeidheid is een vaak voorkomende bijwerking van radiotherapie. Deze bijwerkingen verdwijnen normaal een tijd na de therapie.

Behandeling van chronische myeloïde leukemie?

Chronische myeloïde leukemie (CML) wordt onderverdeeld in drie ‘fases’: een chronische fase, een versnellingsfase en een acute fase. In de chronische fase zitten er minder dan 10% afwijkende cellen in het bloed of beenmerg. Patiënten hebben weinig symptomen en reageren goed op een standaardbehandeling. In de versnellingsfase of acceleratiefase worden er meer afwijkende cellen gevonden en hebben patiënten vaak koorts, weinig eetlust en gewichtsverlies. Ze reageren minder goed op de behandeling. In de acute fase of blastencrisis is de chronische leukemie veranderd in een snel groeiende acute leukemie die in verschillende organen doorgroeit. In deze fase vertonen patiënten nog sterkere symptomen.

De keuze van de behandeling hangt onder meer af van de leeftijd van de patiënt en van de fase van de ziekte. In de chronische fase wordt er meestal geopteerd voor een behandeling met een signaalremmer of immunotherapie. In de versnellingsfase worden die behandelingen ook toegepast. Sommige patiënten kunnen in aanmerking komen voor een stamceltransplantatie voorafgegaan door intensieve chemotherapie en/of radiotherapie. In de acute fase lijkt CML qua karakteristieken en symptomen sterk op AML, in sommige gevallen op ALL. De ziekte wordt dan verder behandeld als acute leukemie.
Aarzel niet uw arts vragen te stellen over de mogelijkheden en over de bijwerkingen van de verschillende behandelingen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn.

Behandeling met een signaalremmer

Het geneesmiddel Imatinib (merknaam Glivec) is het belangrijkste middel bij de behandeling van de chronische fase van CML. De meeste patiënten komen erdoor in een jarenlange remissie (dat betekent dat er geen tekens of symptomen van de ziekte zijn). Glivec is specifiek ontworpen om de ongeregelde celgroei bij CML te remmen. Het grijpt gericht in op de signalen die de leukemiecel tot voortdurende deling aanzetten. Als deze signalen kunnen worden geremd of weggenomen, houdt de leukemiecel op met delen en gaat deze dood. Het medicijn wordt toegediend in tabletvorm.

Bijwerkingen

Mogelijke bijwerkingen van de signaalremmer zijn: misselijkheid, spierpijn of kramp in de spieren, vochtophoping (vooral rond de ogen en in de voeten), leverfunctiestoornissen (zelden), diarree en eczeemachtige huidafwijkingen. Deze bijwerkingen zijn meestal met eenvoudige middelen afdoende te bestrijden.

Immunotherapie

Immunotherapie is een behandeling die onze natuurlijke afweer of immuniteit stimuleert om de kanker aan te vallen. Immunotherapie bij CML bestaat uit het toedienen van het middel Interferon. Het is een biologische stof die van nature in ons lichaam voorkomt. Die stof kan in het laboratorium ‘nagemaakt’ worden. Het medicijn is in staat om het groeigedrag van leukemiecellen te beïnvloeden. Interferon moet dagelijks per injectie worden toegediend.
Interferon was lang de belangrijkste behandeling voor CML, terwijl nu vaker Glivec (zie hierboven) gebruikt wordt.

Bijwerkingen

Interferon kan een aantal hinderlijke bijwerkingen veroorzaken: griepachtige verschijnselen, hoofdpijn, vermoeidheid, misselijkheid, gevoelens van neerslachtigheid en huidirritatie.

Chemotherapie

Chemotherapie wordt voor CML alleen toegepast als de immunotherapie en de behandeling met de signaalremmer niet langer werken.
De naam chemotherapie verwijst naar de kuur met geneesmiddelen die de groei van kankercellen remmen of vernietigen. De medicijnen worden meestal rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden en overal eventuele kankercellen kunnen bereiken.
Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie (een ‘cocktail’) van celremmende geneesmiddelen (of cytostatica) voorgeschreven.

Bijwerkingen

De bijwerkingen zijn dezelfde als bij de behandeling van chronische lymfatische leukemie (zie hierboven).

Stamceltransplantatie

Sommige patiënten met chronische myeloïde leukemie krijgen, afhankelijk van hun leeftijd en conditie, een zware chemotherapiekuur en/of totale lichaamsbestraling gevolgd door een zogenoemde stamceltransplantatie. Een stamceltransplantatie is het toedienen van gezonde stamcellen om beenmerg te vervangen dat door kanker of door chemotherapie vernietigd is. Een allogene stamceltransplantatie krijgt de voorkeur: de getransplanteerde stamcellen zijn afkomstig van een donor – een familielid of iemand anders.

Bijwerkingen

De bijwerkingen zijn dezelfde als bij de behandeling van chronische lymfatische leukemie (zie hierboven).

Na de behandeling?

Geneeskansen

Chronische leukemie kan meestal niet genezen, maar kan wel onder controle gehouden worden. Dat geldt zeker voor chronische lymfatische leukemie, waarbij patiënten vaak 10 tot 20 jaar goed overleven. Bij chronische myeloïde leukemie kan alleen een geslaagde stamceltransplantatie tot definitieve genezing leiden. De andere behandelingen zijn gericht op het remmen van de ziekte en het verlichten van de symptomen.
De overlevingskansen voor chronische lymfatische leukemie zijn over het algemeen beter dan voor chronische myeloïde leukemie. Hou er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers enkel een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts: hij of zij kent uw situatie het best.

Nazorg

Na een intensieve medische behandeling blijft er bij de meeste patiënten een gevoel van onzekerheid. Als de therapie met succes is afgerond, vragen patiënten zich af wat er nog meer gedaan kan worden. Als het met de therapie niet gelukt is de kanker uit te schakelen, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij kan helpen. Nazorg is in beide situaties dan ook erg belangrijk. Het begrip ‘nazorg’ houdt veel in: medische begeleiding, oncorevalidatie (onder begeleiding bewegen en sporten om de fysieke conditie weer op te bouwen), psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.

Vragen?

Uw arts

Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke problemen. Hij of zij kent uw ziekte en het verloop immers het best.

Uw omgeving en lotgenoten

Familie, vrienden en verwanten kunnen eveneens veel steun bieden. Het kan ook helpen om over de ziekte te praten met andere leukemiepatiënten, bijvoorbeeld via een patiëntenvereniging of zelfhulpgroep. Op www.tegenkanker.be/zelfhulpgroepen staan alle adressen vermeld.

Kankertelefoon

Logo KankertelefoonDeze folder beantwoordt wellicht niet al uw vragen. Blijf er echter niet mee zitten, maar schrijf ze op, stel ze aan uw arts of bel naar de Vlaamse Kankertelefoon (elke werkdag van 9 tot 17 uur, of stuur een e-mail naar kankerlijn@tegenkanker.be). U kunt er terecht voor een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek. U kunt er ook informatie krijgen over verdere begeleiding van patiënten, over contact met lotgenoten, sociale voorzieningen voor patiënten, aanvullende behandelingsmethoden, palliatieve zorg enz.

Naar boven