LinksSitemapContact
U bent hier:

Column Frieda Joris: Pietje Precies

Schrijf ons!

Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.
Frieda Joris, journaliste bij Het Laatste Nieuws, kreeg in het najaar van 2000 borstkanker. Ze schrijft voor Leven vier keer per jaar deze column.

Tekst uit Leven 39, juli 2008

K. was het type vrouw dat haar strings aan een met zijde overtrokken kapstok ophangt. Pietje Precies, zo precies dat een bezoek aan haar Spic & Span-huis me telkens op de zenuwen werkte. Ze kon er natuurlijk niks aan doen dat ze zo geworden was, ze was belast met die erfzonde. In haar ouderlijke huis moesten bezoekers hun schoenen uittrekken vooraleer de geboende living te betreden. Met alle gevolgen van dien: vlezige gaten in sokken en onverwachte slippertjes op de gladde vloer.

De echtgenoot van K. was van hetzelfde kaliber. Een druk bezet zakenman maar één blik op zijn blinkende bureau verklapte alles. In de kamer waar zijn echtgenote niks mocht aanraken, lagen de mappen in militaire slagorde. Het fotokader met kinderen en hond stond parallel met de onderlegger en het antieke inktstel. Geen vingerafdruk doorprikte de nette mythe. Om de kriebels van te krijgen.

Dit huwelijk is ondertussen geschiedenis. Door de zin voor perfectie, maar vooral door onbegrip en te weinig liefde. Door kreuken en krassen die jarenlang met schuurpapier en vernislaagjes werden weggeschminkt maar uiteindelijk toch bezweken onder de druk van een natuurramp.

K. kreeg namelijk borstkanker en haar rechterboezem werd geamputeerd. Ze liet dat stuk onmiddellijk vervangen, zoals ze dat ook met het door roest aangetaste tuinhekken deed. Hoewel zo’n gereconstrueerde borst nooit beter is dan het origineel kon K. ermee leven, ze was al blij dat het kwaad weggesneden was. Maar voor haar man was zijn perfecte vrouw uit één stuk weliswaar opgelapt maar toch onherstelbaar beschadigd.

Ze had van bij de eerste ingreep gemerkt dat hij moeilijk omging met haar ziekte en ze vond dat toen bij manier van spreken ‘normaal’. Hij zocht haar maar zelden op in het ziekenhuis want ‘Je weet dat ik niet van ziekenhuizen hou’. Hij wou niet geconfronteerd worden met de wonde, vermeed de badkamer als zij onder de douche stond en in de slaapkamer moest het licht uit. Hij was nog meer weg dan vroeger en praatte nooit over de grote K, het woord kanker kreeg hij sowieso niet over zijn lippen. ‘Zijn manier van verwerken’ dacht ze eerst en al had ze er dubbel zoveel behoefte aan om eens vastgepakt te worden, hij had het altijd te druk of was te moe.

K. steunde op broers en zussen die al lang in het snuitje hadden dat die schoonbroer beter ook geamputeerd werd, maar zij verdedigde hem telkens weer. Zelfs toen hij klaagde dat iedereen telkens naar haar vroeg en niemand om hém bekommerd was. Want hij had het pas zwaar, zo met die stress en al dat werk.

Het duurde tot ze uitgeziekt was en rondkeek naar wat haar restte. Een blinkend huis en een afwezige echtgenoot die alle glans had verloren. K. heeft zelf de knoop doorgehakt en haar koffers gepakt, hij was zelfs een beetje opgelucht dat dat varkentje eindelijk gewassen was.

K’s kankerstrijd duurde twee operaties en één echtscheiding lang. Ze herleeft en ik herken stilaan weer het pittige meisje met wie ik op de schoolbanken zat. Ik heb haar nog eens opgezocht. Stapte over een mand met houtblokken, vleide me neer in de zetel naast het speelgoed van de hond terwijl zij zocht naar de afstandsbediening van de muziekinstallatie. ‘t Komt goed met haar, ik weet het zeker.

Naar het verhalenoverzicht