LinksSitemapContact
U bent hier:

Non-Hodgkinlymfomen

Verwante informatie

Meer lezen

Patiënten vertellen

Wat zijn non-Hodgkinlymfomen?

Een non-Hodgkinlymfoom is een kanker die begint in het lymfestelsel. Dat lymfestelsel is een complex systeem in ons lichaam - enigszins vergelijkbaar met het bloedstelsel - dat bestaat uit lymfeweefsel en lymfeklieren die verbonden zijn door lymfevaten. Lymfeweefsel bevindt zich op verschillende plaatsen in het lichaam, bijvoorbeeld in de milt, het beenmerg, de slijmvliezen. Het lymfestelsel speelt een belangrijke rol in de afweer tegen ziekteverwekkers.

Andere soorten kanker, borstkanker of longkanker bijvoorbeeld, kunnen via het lymfeweefsel uitzaaiingen geven in andere organen. Deze uitzaaiingen in de lymfeklieren zijn echter geen lymfomen. Lymfomen ontstaan echt uit de cellen van het lymfeweefsel, en ze kunnen zich via de lymfevaten en het bloed ook door het hele lichaam verspreiden.

Soorten lymfomen

Er zijn twee grote soorten kwaadaardige lymfomen: Hodgkinlymfomen (genoemd naar dokter Hodgkin, die de ziekte in de 19de eeuw voor het eerst beschreef) en non-Hodgkinlymfomen. Deze brochure gaat enkel over non-Hodgkinlymfomen. Er bestaan meer dan 20 verschillende soorten non-Hodgkinlymfomen.

Elke type lymfoom

  • ziet er anders uit onder de microscoop
  • heeft verschillende genetische kenmerken
  • gedraagt zich anders
  • vraagt een specifieke behandeling

Het Vlaams Kankerregistratienetwerk registreerde in 2000 in Vlaanderen 927 nieuwe gevallen van non-Hodgkin. Non-Hodgkinlymfomen behoren daarmee tot de tien meest voorkomende kankers, zowel bij mannen als bij vrouwen. Ze komen vooral voor bij mensen van boven de 50 jaar.

Onderzoeken?

Vaak is het eerste symptoom van een non-Hodgkinlymfoom een voelbare zwelling van een of meer lymfeklieren in de hals, boven het sleutelbeen, in de oksel of de lies. Als de ziekte niet in de lymfeklieren begint, zijn de eerste symptomen vaak minder duidelijk. De volgende klachten of symptomen kunnen voorkomen: onverklaarbaar gewichtsverlies, koorts, hevig zweten (vooral 's nachts), felle jeuk.

Deze symptomen zijn echter niet altijd specifiek voor non-Hodgkinlymfomen, maar als ze niet na enige tijd vanzelf overgaan, is het wel het beste ermee naar de huisarts te gaan. Hij zal een algemeen lichamelijk onderzoek en een bloedonderzoek doen en u indien nodig doorverwijzen naar een specialist.

Een biopsie is de enige manier om de diagnose non-Hodgkinlymfoom te stellen. Een biopsie is een kleine ingreep waarbij een vergrote lymfeklier of andere stukjes weefsel weggenomen worden om in het laboratorium op kankercellen te onderzoeken.

Als de diagnose non-Hodgkinlymfoom gesteld is, dienen nog andere onderzoeken te gebeuren om te zien of er mogelijk elders in het lichaam tumoren te zien zijn en om te weten in welk stadium de ziekte zich bevindt. Dat helpt de artsen immers mee de behandeling te bepalen. Zo kunnen onder andere een radiografie van de longen, een CT-scan (computertomografie, of zeer gedetailleerde röntgenfoto's met dwarse doorsneden van het lichaam) een MRI (magnetic resonance imaging, beelden van het inwendige van het lichaam gemaakt met een sterke magneet) of een PET-scan volgen (positron emission tomography, waarbij een licht radioactieve vloeistof ingespoten wordt om eventuele lymfomen zichtbaar te maken op foto). Ook gebeurt vaak een beenmergonderzoek, waarbij met een naald wat beenmerg opgezogen wordt om te onderzoeken.

Stadia en groeisnelheid

Er worden vier stadia onderscheiden voor non-Hodgkinlymfomen. Op basis van het stadium kan de specialist inschatten hoe de ziekte zal evolueren en welke behandeling het meest aangewezen is.

Stadium I: één groep lymfeklieren of één orgaan is aangetast, bijvoorbeeld de lymfeklieren in één oksel
Stadium II: twee of meer groepen lymfeklieren aan dezelfde kant van het middenrif zijn aangetast
Stadium III: er zijn lymfeklieren of weefsel aangetast boven én onder het middenrif
Stadium IV: het lymfoom heeft zich buiten het lymfestelsel verspreid naar andere organen zoals het beenmerg, de lever of de longen

Bij elk stadium wordt de letter "B" toegevoegd (bijvoorbeeld stadium IIB) als er zogenaamde "B-symptomen" optreden. B-symptomen zijn:

  • een onverklaarbaar gewichtsverlies van meer dan 10%, of
  • onverklaarbare hoge koorts, of
  • hevig nachtelijk zweten

Bij patiënten zonder deze symptomen wordt de letter "A" toegevoegd aan het stadium (bijvoorbeeld stadium IA).

Daarnaast helpt ook de groeisnelheid de artsen om de behandeling te bepalen. Er zijn immers non-Hodgkinlymfomen die bestaan uit traag groeiende cellen en lymfomen met snel groeiende cellen.

Behandeling?

De meest toegepaste behandelingen van non-Hodgkinlymfomen zijn op dit moment een behandeling met medicijnen (chemotherapie en immunotherapie) of bestraling (radiotherapie).

Bij een aantal mensen met een traaggroeiend non-Hodgkinlymfoom in een vroeg stadium is er soms niet meteen een behandeling nodig. Het kan in bepaalde gevallen volstaan om af te wachten en zorgvuldig in de gaten te houden hoe de kanker evolueert. Deze optie heet "watchful waiting".

Als behandelen nodig is, zijn een behandeling met medicijnen of radiotherapie het meest gebruikelijk. De behandelende arts-specialist zal één of een combinatie van behandelingen adviseren, afhankelijk van het soort, de uitgebreidheid en de groeisnelheid van het lymfoom en van de algemene conditie van de patiënt. De behandeling is in de eerste plaats bedoeld om een complete remissie te bereiken. Dat betekent dat er geen teken meer te ontdekken valt van kankercellen.

Soms zijn er verschillende behandelingen mogelijk. Aarzel in dat geval niet uw specialist uitvoerig vragen te stellen over de voor- en nadelen van de verschillende behandelingen. Bij twijfel kan ook een tweede mening van een andere specialist verhelderend en nuttig zijn. Als de ziekte terugkomt, kan er opnieuw een behandeling volgen. Aldus kan bij veel patiënten met een non-Hodgkinlymfoom de ziekte jaren onder controle gehouden worden.

Radiotherapie

Radiotherapie is een behandeling met ioniserende stralen om kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie wordt radioactieve energie in de vorm van een stralenbundel (te vergelijken met een lichtbundel) precies gericht op de plaats van het gezwel. De bestraling kan van buitenaf komen (uitwendige bestraling) of van radioactief materiaal dat in de tumor wordt ingebracht (inwendige bestraling). Bij non-Hodgkinlymfomen wordt bijna uitsluitend uitwendig bestraald.
Het gebied dat moet worden bestraald, verschilt per patiënt, en ook de duur van de bestralingskuur, de intensiteit en het bestralingsschema (het aantal bestralingen) kunnen variëren. De bestraling op zich is pijnloos. Bestraling wordt vaak gecombineerd met chemotherapie.
Bestralen gebeurt ook palliatief, als genezing niet meer mogelijk is, om symptomen te verlichten. Palliatieve radiotherapie kan bijvoorbeeld pijn verlichten.

Bijwerkingen
De radiotherapeut zal ervoor zorgen dat de toegediende dosis en het bestralingsveld zodanig worden berekend dat er zo weinig mogelijk schade wordt berokkend aan gezonde weefsels en organen. Toch kan straling ook invloed hebben op de gezonde cellen in het bestraalde gebied. Daardoor kan de huid naar het einde van de bestraling rood en gevoelig worden. Ook vermoeidheid is een vaak voorkomende bijwerking van bestraling. Deze bijwerkingen verdwijnen normaal enkele weken na de behandeling. Eventuele andere bijwerkingen hangen af van de gebieden die bestraald worden. Zo kan bijvoorbeeld bestraling van de buik diarree veroorzaken.

Chemotherapie

De naam chemotherapie verwijst naar de behandeling met geneesmiddelen die kankercellen vernietigen of hun groei remmen. De medicijnen worden meestal rechtstreeks in de bloedbaan gebracht met een infuus, waarna ze zich door het hele lichaam verspreiden. Niet alle kankercellen zijn even gevoelig voor dezelfde medicijnen. Daarom wordt vaak een combinatie (een "cocktail") van celdelingremmende geneesmiddelen (cytostatica) voorgeschreven.

Chemotherapie kan als enige behandeling of in combinatie met radiotherapie gegeven worden, afhankelijk van het soort en het stadium van het non-Hodgkinlymfoom.

In bepaalde omstandigheden wordt de chemotherapie aan een heel hoge dosis gegeven, met als doel zoveel mogelijk kwaadaardige cellen ineens uit te roeien. Dat heeft echter als nadeel dat het beenmerg van de patiënt ook uitgeroeid wordt. In dat geval wordt een stamceltransplantatie uitgevoerd. Daarbij krijgt de patiënt gezonde stamcellen toegediend die het beenmerg zullen vervangen dat door de chemotherapie vernietigd werd.

Bijwerkingen
Chemotherapie tast behalve de kankercellen ook gezonde cellen aan. Daardoor kunnen er tijdelijk bijwerkingen optreden: misselijkheid en braken, haaruitval, ontstoken mond, verhoogde kans op infecties door een tekort aan witte bloedcellen, verminderde eetlust, vermoeidheid... Ze verschillen van persoon tot persoon en hangen onder andere af van de medicijnen, de dosis en de duur van de behandeling. Na de behandeling verdwijnen de meeste bijwerkingen.

Immunotherapie

Immunotherapie is een behandeling die onze natuurlijke afweer of immuniteit stimuleert om de kanker aan te vallen. Immunotherapie is een behandeling in volle ontwikkeling. Ze speelt op dit moment maar een kleine rol bij de behandeling van de meest voorkomende kankers, maar bij lymfomen worden al bepaalde antilichamen gebruikt als therapie. Immunotherapie kan op zichzelf worden gegeven of in combinatie met chemotherapie.

Na de behandeling?

Geneeskansen

De kans op genezing en herstel hangt af van veel dingen: van het type non-Hodgkinlymfoom, de groeisnelheid en het stadium waarin de ziekte verkeert bij diagnose, van de leeftijd, van de behandeling enz. Het is moeilijk te zeggen wanneer iemand volledig genezen is. De kans dat de ziekte terugkomt, wordt in elk geval kleiner naarmate u langer ziektevrij bent. In sommige gevallen treedt geen compleet herstel op, maar kan de ziekte wel jarenlang tot rust worden gebracht.
Uw behandelende arts kan hierover meer uitleg geven. Hou er rekening mee dat elke situatie uniek is en dat overlevingscijfers enkel een globaal beeld geven. Niemand kan voorspellen wat er in uw geval precies zal gebeuren. Praat erover met uw arts: hij kent uw situatie het best.

Nazorg

Leven met een ernstige ziekte als kanker is een hele beproeving. Behalve de fysieke ongemakken die de behandeling meebrengt, worden de meeste kankerpatiënten geconfronteerd met allerlei zorgen, angsten en onzekerheden. Als de therapie met succes is afgerond, vragen patiënten zich af wat er nog meer gedaan kan worden.
Deel van de nazorg is een geregelde medische controle (lichamelijk onderzoek, bloedafname, CT-scan, röntgenonderzoek), vooral met de bedoeling een mogelijk herval zo snel mogelijk op te sporen en weer te behandelen.
Als het met de therapie niet meer lukt de kanker onder controle te houden, is het de vraag hoe de symptomen zo goed mogelijk bestreden kunnen worden en wie daarbij kan helpen. Hulp bij de praktische en bij de emotionele aspecten van de ziekte zijn vaak welkom. Nazorg is in beide situaties erg belangrijk. Het begrip "nazorg" houdt dan ook veel in: medische begeleiding, oncorevalidatie (onder begeleiding bewegen en sporten om de fysieke conditie weer op te bouwen), psychische en sociale opvang, en/of palliatieve zorg.

Vragen?

Uw arts

Praat met de behandelende arts over mogelijke symptomen, bijwerkingen of fysieke problemen. Hij kent uw ziekte en het verloop immers het best.

Uw omgeving en lotgenoten

Familie, vrienden en verwanten kunnen eveneens veel steun bieden. Het kan ook helpen om over de ziekte te praten met andere patiënten met een lymfoom, bijvoorbeeld via een patiëntenvereniging of zelfhulpgroep.

Kankertelefoon

Logo Kankertelefoon Deze informatie beantwoordt wellicht niet al uw vragen. Blijf er echter niet mee zitten, maar schrijf ze op, stel ze aan uw arts of bel naar de Vlaamse Kankertelefoon: elke werkdag van 9 tot 17 uur, of stuur een e-mail naar kankerlijn@tegenkanker.be. U kunt er terecht voor een anoniem luisterend oor, deskundig advies of een bemoedigend gesprek. U kunt er ook informatie krijgen over verdere begeleiding van patiënten, over contact met lotgenoten (bijvoorbeeld via zelfhulpgroepen), sociale voorzieningen voor patiënten, aanvullende behandelingsmethoden, palliatieve zorg enz.