Wannes Moonen verloor als 14-jarige zijn rechterbeen na botkanker
Schrijf ons!Stuur uw reactie op artikels uit Leven naar brievenbus@tegenkanker.be, de lezersrubriek van het tijdschrift. We nemen uw brief mogelijk op in het volgende nummer.
'Ik voel me geen gehandicapte. Als gevolg van botkanker heb ik maar één been meer, dat is het. Ik leid een normaal leven.' Wannes Moonen is een gelukkige echtgenoot en vader, hij gaat elke dag met de auto naar het werk, hij trekt elke week baantjes in het zwembad, hij ging zelfs skiën met de familie. Maar de kwaadheid om wat hem overkwam, steekt nog af en toe de kop op, ook bijna twintig jaar later.Tekst: Bart Van Moerkerke, uit Leven 40, oktober 2008
Wannes Moonen zag een jaar geleden zijn mooiste droom in vervulling gaan. Hij straalt van geluk wanneer hij de kleine Jasper op de arm van zijn vrouw Katrien ziet zitten. 'Maar soms', zegt hij, 'kan ik nog kwaad zijn. Als ik eraan denk dat ik bepaalde dingen niet zal kunnen doen met mijn zoon, vraag ik me nog altijd af: waarom ik? Maar als ik moet kiezen tussen vader zijn en de twintig kilometer van Brussel kunnen lopen, dan weet ik het wel. Ik moet gewoon aanvaarden dat ik dingen niet meer kan doen of anders moet doen.'
Kwaadheid uiten
Wannes verloor als veertienjarige zijn rechterbeen. Een val in het zwembad bracht een botkanker aan het licht, net boven de knie. Met chemotherapie werd de ziekte te lijf gegaan. Dat leek aanvankelijk te lukken maar na een jaar keerde de kanker weer, veel agressiever dan voordien. Chemotherapie bleek niet meer afdoende om het gezwel in te dijken, een amputatie was de enige remedie. 'Dat ik als dertien-, veertienjarige kanker kreeg, was al onwezenlijk. Dat is het laatste waarmee je rekening houdt. Ik zal mijn haar verliezen, was mijn eerste zorg. Al snel bleek dat niets in vergelijking met de andere nevenwerkingen van de chemo. Ik was echt doodziek van de medicatie, misselijk, vermoeid, verzwakt. Ik had tijdens de behandeling ook niet veel zin in bezoek. De vrienden en vriendinnen van de Chiro kwamen geregeld langs maar dan vielen er soms stiltes. Wat konden zij zeggen? Wat moest ik zeggen? Toen ik een jaar later herviel, was de klap nog veel erger. Ik wist dan wat de chemotherapie met me zou doen. Mijn ouders onderhielden de contacten met de dokters en de verplegers, van de medische details was ik niet op de hoogte. Dat was ook niet nodig. We hebben altijd open en eerlijk met elkaar gepraat, ook toen een amputatie onvermijdelijk was. Ik weet niet zo goed meer wat ik dacht en voelde toen dat verdict viel. Het is tenslotte al bijna twintig jaar geleden en ik heb die nare herinneringen ook weggeduwd. Wat ik wel nog weet, is dat ik heel kwaad was toen ik na de operatie op mijn ziekenhuiskamer kwam. Ik zei tegen mijn moeder dat ik zin had om eens goed te vloeken. Nog voor mijn moeder iets kon zeggen, zei de verpleegster "doe maar". Ik heb toen zo hard geroepen dat ze het in heel het ziekenhuis moeten gehoord hebben. Ik herinner me ook nog dat ik de eerste dagen niet onder de lakens heb gekeken.'
Stimulerende omgeving
Wannes leerde stappen met een prothese. 'In het begin was dat niet makkelijk. Je moet je volle gewicht op een vreemd voorwerp durven te leggen. Het grote voordeel van de prothese is dat ik mijn handen vrij heb om te werken. Thuis loop ik meestal met krukken rond omdat ik me dan vrijer kan bewegen dan met een prothese. Ook als ik langere afstanden moet stappen, doe ik dat met de krukken. Eigenlijk heb ik vrij vlot de draad van mijn leven weer opgepikt. Mijn vrienden van de Chiro haalden me uit mijn huis. Ik nam algauw weer deel aan de meeste activiteiten. En ging het echt niet, dan keek ik wel toe of dan was ik scheidsrechter. Ik werd later zelf Chiroleider.'
Zijn ouders stimuleerden Wannes om te gaan zwemmen. En toen hij zijn middelbare school beëindigde, waren zij er grote voorstanders van dat hij op kot zou gaan in Gent. 'De mensen in mijn omgeving hadden nooit een houding van "zou je dat wel doen of denk er toch maar eens goed over na". Neen, ze waren de eersten om te zeggen dat ik er moest voor gaan en dat ik mij wel uit de slag zou trekken.'
Wannes studeerde industrieel ingenieur en tufte in Gent rond met een bromfiets. 'De eerste maanden voelde ik me dikwijls alleen, weg van huis. Nadien vond ik mijn draai. Ik ging op café en naar fuiven, zoals elke andere student. Als ik een meisje leerde kennen, gooide ik het meteen op tafel: ik heb kanker gehad en ik heb maar één been meer. Dan was dat al van de baan. Maar ik geef toe dat het niet altijd makkelijk was. Mijn handicap heeft er ongetwijfeld voor gezorgd dat ik voorzichtig was in het aangaan van relaties, al had dat wellicht ook met mijn karakter te maken. Ik ben vrij gereserveerd.'
Anderen helpen
Intussen is Wannes 33 jaar, hij heeft een commercieel-technische baan bij een bedrijf dat industriële componenten levert. Hij woont met Katrien en de kleine Jasper in het Pajottenland, niet zo ver bij zijn ouders vandaan. Zijn hobby is zwemmen. 'Mensen kijken wel eens vreemd op als ze een man met één been in het water zien springen maar dat stoort me niet. Ik trek minstens één keer per week baantjes. Het gaat me niet om de prestatie maar om de lichaamsbeweging. In mijn studententijd trainde ik twee, drie keer per week en zwom ik af en toe een wedstrijd. Ik denk dat ik me toen nog wilde bewijzen: kijk eens wat ik kan met één been. Ik ging in die periode met de vzw Anvasport ook op wintersportvakantie voor andersvaliden, in Oostenrijk. Vorig jaar ben ik voor het eerst opnieuw gaan skiën, met de familie van Katrien, puur voor het plezier. Ik gebruik één ski en speciale skistokken met kleine skietjes aan. Het was leuk, voor herhaling vatbaar.'
De skireis van Wannes naar Oostenrijk kwam vijftien jaar geleden op televisie in het medische magazine Zonder Voorschrift. Vorig jaar zocht Lieve Blancquaert Wannes weer op voor een reportage in de reeks De film van mijn leven. 'Ik was niet zo happig om mee te doen, Katrien heeft me over de streep getrokken. Nu ben ik blij dat ik het deed. Ik kreeg enkele zeer positieve reacties, waaronder één van een man wiens neefje hetzelfde meemaakt als ik twintig jaar geleden. Als ik met mijn verhaal ook maar één persoon kan helpen, dan is het de moeite waard. Maar ik wil niet in de aandacht lopen, ik voel me geen gehandicapte. Ik heb één been, dat is het. Ik probeer te zijn als ieder ander. Ik ben wel voorzichtiger geworden als het op mijn gezondheid aankomt. Ik ga al sneller eens naar de dokter omdat ik weet dat een vroege diagnose soms je leven kan redden. Die ongelukkige val in het zwembad is misschien wel mijn geluk geweest: zo is de botkanker vroegtijdig ontdekt.'




